Dit werk heeft als basisthema “Lobe den Herren”. Deze melodie is reeds eeuwenoud en is in de loop der tijden in verscheidene variaties gebuikt in de Katholieke Kerk. Een bekende variant hiervan is “Lobe den Herren, den mächtigen König der Ehren” (BWV 137) van Johann Sebastian Bach.
In “Praise the Fanfare” hoor je na de inleiding één strofe van de hymne verdeeld in vier solostemmen. De solostemmen zijn genummerd in SATB-volgorde en mogen heel lyrisch gespeeld worden in kwartetvorm. Vervolgens komt een tweede strofe aan bod in tutti-vorm, die samen met de technische loopjes een eerste climax aankondigt. Met een kleine versnelling duiken we het ritmische tweede deel in.
Dit tweede deel begint met een ritmische opbouw in het zwaar koper en slagwerk, daarna gaat het via enkele leuke maatwisselingen over in een variatie op het thema in driekwartsmaat. Na enkele omzwervingen in het orkest belanden we in het derde deel.
In dit langzame derde deel horen we een nieuwe melodie die wordt gebracht door de solobugel en solo-altsax. Deze mooie melodie wordt vervolgens hernomen door het orkest en kan telkens bij de herneming wat vlotter gespeeld worden. Bij de modulatie mag het heel uitbundig zijn. Na een nieuwe climax horen we opnieuw het hoofdthema klinken in klokkenspel (of sopraansaxofoon). Dit kondigt het vierde deel aan.
Dit laatste deel start met een kleine fuga waarin het hoofdthema klinkt in mineurvorm. Hier kan echt stilistisch spel gespeeld worden. Na de fuga belanden we in een finale die als een rollercoaster het hele werk samenvat.





